Deel 25 is voorlopig het laatste interview uit een gesloten reeks die twee jaar in beslag heeft genomen. Dat wil niet zeggen dat er geen interviews in Music Emotion meer zullen volgen. De interviews uit deze reeks zijn, samen met achtergrondinformatie, een aantal extra interviews en aanvullende content, in het najaar beschikbaar in boekvorm. Volg daarvoor de aankondigingen in Music Emotion.
In de muziekwereld zijn zeer veel beroepen. Een belangrijke groep wordt gevormd door de ontwerpers en bouwers van muziekinstrumenten. Van Antonio Stradivari, Ryrie en Vogel (Fairlight CMI) en Henri Selmer tot Robert Moog. Bij toeval overhandigde iemand ondergetekende laatst een gitaar van de Amsterdamse bouwer Jeroen Hilhorst. De klassieke gitaar heeft geen status als concertinstrument. Daarvoor is het te bereiken volume te laag, in tegenstelling tot een vleugel of viool. De gitaar van Jeroen vormde een verrassing. Naast de fraaie klank en het oneindige doorklinken van de tonen (sustain) heeft deze gitaar een enorme power en projectie (reikwijdte). De grondlegger van de moderne klassieke gitaar is Antonio Torres (1817- 1892). Sindsdien zijn er enorm veel gitaarbouwers opgestaan die allemaal hun eigen opvattingen hebben over de constructie van het klankbord en de manieren om bracing uit te voeren. Ook over houtsoorten is een boek te schrijven. Kort door de bocht is op te merken dat de bouw van gitaren vooral een focus had op klank en dat er niet echt veel nieuwe constructieve principes zijn ontstaan. Pas later kwam er wat meer belangstelling voor projectie en geluidsvolume en ontstond de double top en nieuwe vormen van bracing. De gitaren van Jeroen Hilhorst volgen nieuwe constructieprincipes, die je ook tegenkomt bij sommige beroemde Australische bouwers. De nieuwsgierigheid was dus gewekt en een reden om een bezoek te brengen aan deze gitaarbouwer, die in de loop van dertig jaar toch zo’n 130 instrumenten heeft geproduceerd.
Jeroen, jij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde. Vervolgens kwam je in de IT terecht en nog later ging je gitaren bouwen. Hoe is dat allemaal tot stand gekomen?
“In grote organisaties kon ik niet zo goed aarden, het resulteerde in een burn-out en dan voel je je toch niet op je plek. Ik ging dus op zoek naar iets anders. Ik speelde zelf gitaar en zat op een gegeven moment in een café met een vriendin. Toen viel het muntje en ik wilde zelf een gitaar gaan bouwen. Ik wilde graag iets met mijn handen doen en dat zit ook in de familie. Grootvader en vader waren timmerman en dan ben je erfelijk belast. Ben een cursus gaan volgen bij Anton Wiegers en vandaar af heb ik het zelf ontwikkeld.”

Van IT naar gitaren, was dat een harde overgang?
“Tijdens het laatste jaar dat ik in de IT werkte had ik uitgevonden dat ik dat wilde gaan doen. Heb mijn baan vervolgens opgezegd en ben meteen hier ingestapt.”
Je hebt dan niet meteen klanten. Hoe kwamen die uiteindelijk?
“Een aantal jaren heb je geen inkomen en ben je eigenlijk aan het leren. Langzamerhand groeit dat. Gelukkig had mijn vrouw een baan, dus we konden het doen. Ik adverteerde, maar dat werkt voor geen meter. Je moet je doelgroep dus opzoeken en ik ging naar gitaarfestivals. In het begin kleine festivals en concerten in Nederland. Een vriend van mij nam mij mee naar Zuidoost-Duitsland. Hij zocht een gitaar en had daar een aantal bouwers gezien. We zijn daar samen geweest en ik heb daar wat contacten gelegd. Er was ook een festival waar Abel Carlevaro kwam, de grote en bekende gitarist, en daar hoorde ik waar andere grote festivals waren. Je ontmoet daar musici die jouw gitaar soms mooi vinden en op die manier krijg je klanten. Op zo’n festival wordt vaak een beurs georganiseerd en daar zit meestal een bouwersbeurs bij. Je huurt een tafeltje en daar sta je dan met een aantal bouwers. Heb het ook wel eens met een winkel geprobeerd. Dat werkt niet met die prijzendynamiek. Zoveel verdien je al niet. In Parijs heb ik een aantal gitaren via een winkel verkocht. Ze zijn heel schappelijk. De prijs is niet de prijs die je van de gitarist krijgt, maar het is te doen. Soms kun je een gitaar in consignatie geven bij een winkel en dat werkt ook wel.”
Je geeft aan gitaren te bouwen volgens een wetenschappelijke methode. Wat moet ik mij daarbij voorstellen?
“Ik leerde de markt kennen en zag dat er een heleboel mensen veel gitaren bouwen, dus ik maak geen kans. Ik moet me dus een beetje onderscheiden. Iets bijzonders maken. Je moet ook kijken naar de loonsituatie. In Azië worden fantastisch mooie gitaren gebouwd, terwijl de lonen daar veel lager liggen. Als ik een gitaar bouw moet deze twee keer zoveel kosten. Hij moet dan ook twee keer zo goed zijn, dus je moet iets bijzonders maken. Tegelijkertijd ontdekte ik dat er dingen verbeterd konden worden. Een gitaarbouwer in Zuidoost-Duitsland, Eberhard Kreul, vertelde dat daar een onderzoek was gedaan waaruit bleek dat de efficiëntie van de gitaar minder dan 1% is. Hij bedacht de dubbele achterkant. Dat is later door Contreras opgepakt, maar Kreul heeft dat bedacht. Het verhaal is dat het binnenblad dan gaat trillen en dan krijg je extra geluid. Dat geloofde ik niet, maar ik bedacht dat als je twee achterbladen op de gitaar zet, dan verhoog je de stijfheid. Daar ben ik mee gaan werken. Bij verhoogde stijfheid van het instrument heb je veel minder verlies op al die delen aan de zij- en achterkant en de energie blijft dan in de voorkant. Die gaat harder wapperen en dan heb je meer projectie (= hoever het geluid reikt). Met dat concept kan ik mij dus onderscheiden. Je ziet dit principe ook in andere branches. Auto’s maken ze zuiniger door de constructie stijver te maken. Als een auto doorbuigt door hobbels in de weg, gebruik je namelijk energie om die auto door te buigen.”
Als je ervoor zorgt dat de behuizing niet resoneert, kun je de energie krijgen op de plek waar je het wilt hebben.
“De hoeveelheid energie van een vinger die een snaar aanslaat is erg klein. Daarom klinkt een gitaar erg zacht. Als de gitaar daar ook inefficiënt mee omgaat, dan blijft er weinig over.” Ruud: “Daarom zijn jouw gitaren toch wat zwaarder gebouwd?” Jeroen: “Je kunt die stijfheid niet bereiken met hele lichte plankjes. Omdat je hoog opgeleid bent denk je wat academischer. In de IT-wereld werd je tot logisch denken aangezet en dat pas je ongemerkt toe in waar je mee bezig bent.”
Heb je die IT-kennis in de praktijk opgedaan?
“Niet helemaal. Tijdens mijn studie was ik op het einde al bezig met taal en computers. Bij het IT-bedrijf werd je dan verder opgeleid en dan leer je vervolgens veel in de praktijk.”
Heb je indertijd veel proefmodellen gebouwd?
“Je bent steeds aan het veranderen, op zoek naar verbetering. Op een gegeven moment heb ik een gitaar gebouwd waar je dingen aan kunt veranderen. Je kunt daarmee het bovenblad makkelijk wisselen. Ook heel veel wilde experimenten. Daar is wel een grens aan. Wat je maakt moet uiteindelijk ook verkoopbaar zijn. Daartussen is het altijd een beetje schipperen. Eigenlijk ben ik een beetje een laboratorium in plaats van een productiebedrijf.”

Gitaristen en bouwers hebben het altijd over houtsoorten. Maakt dat nou echt enorme verschillen?
“Als je naar de traditionele gitaar kijkt met een vrij dunne constructie van de zij- en achterkant, dan trillen die mee en bepalen een beetje het geluid, maar niet enorm. Is het een zachte houtsoort, zoals esdoorn of een heel harde houtsoort zoals ebben? Dat hoor je dan vrij duidelijk in de klank. Als het over de projectie gaat dan absorberen dunne en zachte houtsoorten meer en dik en hard minder. Met het laatste ga je meer in de richting van projectie. Met ebbenhout krijg je een krachtiger geluid en als je dat ook dikker maakt, dan neemt dat verder toe. Als je naar projectie en kracht van geluid gaat kijken dan maakt het materiaal eigenlijk niet uit, maar het is alleen belangrijk hoe sterk je het maakt. Dat kan op verschillende manieren. Ik ken iemand die heeft kunststof gebruikt. Of maak bijvoorbeeld eens een gitaar van beton en leg daar een bovenblad op. Bij projectie en kracht is eigenlijk alleen de stijfheid van belang. Als je over een traditionele gitaar praat gaat het over klank, maar minder over kracht en projectie. De houtsoort kan dan een klein beetje verschil maken in hoe die klank is. Ik speelde eens een gitaar die helemaal van kunststof is, ook het bovenblad. Dat klonk helemaal niet zo verkeerd. De Franse gitarist die daarop speelde gaf aan dat het geluid wel een beetje doods was. In een bovenblad van hout zit iets meer leven.”
Het is bekend dat een viool met het verstrijken van de jaren beter gaat klinken. Over gitaren hoor je verschillende opvattingen. Hoe zie jij dat?
“Een viool en gitaar zijn in dit opzicht niet vergelijkbaar. Een vioolblad is relatief dik en er staat heel weinig spanning op. Het hout wordt met de tijd wat droger en harder en dat werkt positief uit voor de klank, hoewel je dat niet moet overdrijven. Het bovenblad van een gitaar is veel dunner en er staat veel meer spanning op. De houtvezels rekken dan een beetje uit. Het fichte-bovenblad (sparren) houdt het langer uit en ontwikkelt zich wel, vooral in het eerste jaar. Ze gaan lang mee en kunnen nog een beetje mooier worden. Op den duur gaat de rek er een beetje uit. Dat kan soms positief uitwerken, dat hangt af van de beginsituatie. Soms is het negatief. Het blad wordt dan wat stijver en gaat meer naar het hoog toe. Als het blad al hoger klonk dan gaat het een beetje uit balans. Als de oorspronkelijke toon naar het laag was en de spanning komt er in, dan kan het blad precies in balans komen. Cederhout is wat slapper, de rek is er eerder uit en mijn ervaring is dat de klankschoonheid dan af kan nemen. Bij moderne gitaren is het bovenblad vaak heel dun en zit er een sterkere bebalking onder. Die bebalking is dan eigenlijk veel belangrijker dan het blad. Afhankelijk van hoe de bouwer dat heeft gedaan, bepaalt dat hoelang het blad meegaat. Daar is nog enorm veel over te vertellen.”
Heb je onder jouw klanten echt heel beroemde gitaristen?
“Beroemde gitaristen zijn er echt maar een handjevol. Een paar van mijn klanten zijn erg aanwezig, zoals Peter Constant. Hij leidt gitaarorkesten en doet veel uitvoeringen. Ik heb een Amerikaanse gitarist die mijn gitaar speelt in een viool-gitaar duo. Hij is erg blij dat hij een luid klinkende gitaar heeft die zich qua volume kan meten met de viool. Via hem heb ik veel van mijn gitaren verkocht, want hij had ook leerlingen. Anderen zagen dat het goed samenging met andere instrumenten, waar de gitaar vaak te zacht klinkt. Dat levert weer verkopen op. Verder heeft Pavel Steidl mijn gitaren wel eens gebruikt voor toegiften. Dan was hij op zo’n festival en had alleen een romantische gitaar bij zich voor zijn repertoire. Zijn toegiften waren vaak zijn eigen composities, die overigens fantastisch zijn, maar wel gecomponeerd voor een modernere gitaar. De echt grote gitaristen zou ik natuurlijk best willen hebben.” Ruud: “Er zijn natuurlijk ook, als je alleen al in Nederland kijkt, heel veel bouwers.”
Je hebt gitaren met lattice bracing en double tops. Allemaal bedoeld om meer geluid en projectie te krijgen. Wat vind jij van al die technieken om een bovenblad te maken?
“Hoe ik dat maak is voor mij een ontwikkelingsweg geweest en mijn mooiste product is het lattice bovenblad, naar eigen ontwerp, dat ik op dit moment maak. Het gaat natuurlijk ook in combinatie met hoe je de rest van je gitaar maakt. Het bovenblad moet aankunnen wat de rest van de gitaar oplevert. In mijn lattice-blad zit wat meer emotie, vooral de definitie van de tonen is beter en dat is bij een doubletop ietsje afgedempt. Ik heb wel doubletops gemaakt, maar nu niet meer. Je gaat natuurlijk van alles proberen.”
Zou je nog meer kunnen doen met bovenbladen?
“Ben natuurlijk continue bezig. Ik heb een leerling en die bouwt nu een gitaar volgens mijn principes. Je praat dan met elkaar en dat leidt tot verbeteringen.”
Jouw gitaren zijn aan de wat zwaardere kant.
“Daar krijg ik veel kritiek op en ik probeer af en toe een lichtere gitaar te maken die dezelfde projectie heeft. Je kunt een gitaar bouwen met hele dikke zij- en achterkanten, maar je kunt die ook dun maken en er dan een frame inzetten. Ze zijn dan lichter. Dat is framesterkte in plaats van bladsterkte. Ik heb daarmee geëxperimenteerd, maar ik mis daar toch iets in. Die hele grote power wordt toch iets minder. Ik zoek het momenteel in een verdere combinatie van framesterkte en bladsterkte.”

Vind dat gewicht wel fijn, ligt stabiel op je schoot. Een flamencogitaar weegt daarentegen helemaal niets. Die waait weg als je een blad van je partituur omdraait.
“Een flamencogitaar vormt het andere uiterste en heeft een bepaalde sound waar je niets aan moet doen. Als al het hout heel licht en zacht is, blijft alleen de percussie over en geen lengte. Dat is het typerende van zo’n gitaar. Het is een cultuur geworden met een eigen bijbehorend geluid.”
Laatst maakte ik kennis met een gitaar van Daniel Friederich. Die zijn beroemd, werden bespeeld door gitaristen als Julian Bream, John Williams en Roland Dyens (van de beroemde tango) en brengen enorme bedragen op. Wat vind jij daarvan?
“Nou, ik vind het niks (enorm gelach…). Ik ken de constructie. Het is gewoon een traditionele gitaar, met het bijbehorende geluid. Er is weinig gedaan om dat geluid op te vijzelen. Heb gehoord dat de toon heel mooi is en er zit een beetje projectie in. Veel gitaristen lopen er mee weg en vinden dat prachtig. Mijn gitaren hebben weer iets dat voor anderen aantrekkelijk is. Een meer intens geluid, meer projectie en je kunt er meer mee doen qua expressie. Het geluid van traditionelere gitaren kan ook een vorm van troost zijn. Niets mis mee. Mensen willen soms ook een bepaald geluid.”
Bij jouw gitaren maakt het bovenste deel van het soundboard vrijwel geen geluid. De meeste energie komt vanaf het onderste deel.
“Je moet het kleine beetje toegevoerde energie dat je hebt niet over een groot oppervlak verspreiden. Je moet het concentreren in een wat kleiner gedeelte. Dat gaat dan harder werken, vooral als je er geen dode hoekjes in maakt en ronde vormen gebruikt. Het geluid wordt voortgebracht door allemaal ronde polen die daar in moeten passen. (Jeroen liet dat hele complex van polen zien op een grote afbeelding, die gemaakt is door apparatuur die de bewegingen van het soundboard om kan zetten in een visuele presentatie.) Als er in het gedeelte boven het klankgat trillingen ontstaan, dan is dat feitelijk verlies van energie. Met dat kleine beetje energie breng je dan veel meer massa in beweging, dat is niet efficiënt. Het gaat om concentreren en om zo min mogelijk massa meenemen.”
Wie van de beroemde gitaarbouwers, zoals Fleta, Bouchet en Romanillos, staan bij jou hoog in aanzien?
“Geen van allen (wederom gelach..). Die mensen hebben mooie gitaren gemaakt en ik heb sommige daarvan weleens bespeeld. Ik word daar toch niet warm of koud van. Als ik de moderne gitaren neem en niet alleen die ik ontwerp, maar ook van andere bouwers die met deze moderne inzichten werken want die zijn er gelukkig ook, dan is er veel meer intensiteit in het geluid en dat vind ik beter om echt muziek mee te maken. Ik ken een paar Australische bouwers waarvan ik denk dat ze het goed doen. Bijvoorbeeld Paul Sheridan bouwt fantastische gitaren. Ik heb hem wel eens ontmoet. Hij heeft mijn ontwerp van de armsteun op de gitaar overgenomen. En natuurlijk Greg Smallman. Leuk is dat Peter Constant, die uit Australië komt, een Smallman had en een Sheridan, maar opmerkte dat die gitaren een Australisch accent hebben. Er zit iets nasaals in de klank. Daarom kwam hij bij mijn gitaren.” Ruud: “John Williams is dol op Smallman.” Jeroen: “Smallman was, denk ik, de eerste die innovaties in de Torres-gitaar doorvoerde met de inzichten die ik nu ook gebruik.”

Enige tijd geleden ging je met pensioen, je stopte met bouwen en verkocht een deel van je gereedschap. Twee jaar later begon je weer, zij het zeer relaxed, met het bouwen van gitaren. Wil jij nou nog specifiek iets bereiken?
“Ik ben bijvoorbeeld nooit helemaal tevreden met mijn eerste snaar (de hoge E). Waar ik naartoe werk is dat die snaar wat voller gaat klinken. De hoge E is de belangrijkste snaar, daar zit de melodie op en daar gaat het om. Met mijn bouwwijze komen alle frequenties omhoog en dus ook de hogere frequenties. Die hoge snaar klinkt dus heel helder. In mijn perceptie net even te helder. Ik wil iets meer volheid. De volheid kan ontstaan door absorptie. Dat die hoge frequenties net even afgesnoept worden door de constructie van de gitaar, want die frequenties zitten wel allemaal in die E-snaar als je die aanslaat. In mijn bouwwijze komen ze er allemaal uit, maar ik streef ernaar om dat iets af te kunnen ronden. Dat lukt nog niet. Maar aan de andere kant helpt die helderheid wel weer bij de definitie van de tonen en de projectie. Ook probeer ik om het gewicht lager te krijgen. Een heel zware gitaar wordt toch niet altijd gewaardeerd.”
Na het interview werd een bezoek gebracht aan de werkplaats van Jeroen en werden diverse gitaren bewonderd. Jeroen demonstreerde ook de speciale experimentele gitaar met makkelijk verwisselbare onderdelen. De werkplaats bevat ook nieuw aangeschafte apparatuur, om bijvoorbeeld de gebogen zijkanten van zo’n instrument in de juiste vorm te krijgen. Er staat ook een collectie met zeldzame en kostbare houtsoorten.
Tekst en fotografie: Ruud Jonker
Jeroen Hilhorst Concert Guitars
www.hilhorstguitars.nl

Reacties (0)