De interviews met musici, bands en ensembles vormen een serie. Een zoektocht naar het innerlijk van de musicus. Waarom en hoe zijn deze artiesten met muziek bezig? Wat beweegt ze? Hoe is het leven als artiest? Hoe krijg je bekendheid? Kun je daarvan bestaan? Hoe ga je om met het publiek? Waar komt die diepe liefde voor muziek vandaan? Hoe selecteer of schrijf je muziek? Deel 24 van deze queeste zet Frans van der Hoeven in de schijnwerpers.
Frans van der Hoeven is een van Nederlands bekendste en gevierde bassisten. Naast docent aan het conservatorium speelde hij samen met grote internationale artiesten. Denk aan Art Farmer, Dee Dee Bridgewater, Toots Thielemans, Clark Terry, Fay Claassen en vele anderen. We kwamen elkaar tegen omdat we betrokken zijn bij een gezamenlijk muziekproject. Je maakt dan een praatje en het blijkt dan dat we veel belangstellingsgebieden, activiteiten en een stukje historie met elkaar delen. Muziek, elektronica, opnametechniek, geluid, microfoons, synthesizers en instrumenten om er maar een paar te noemen. Frans heeft een enorm arsenaal aan elektronische effecten die aan te sturen zijn met een bas en waar je de meest waanzinnige soundscapes mee kunt maken. Op basis van vele jaren ervaring weet Frans precies wat hij wil in zijn vak en is daar duidelijk in. Opvallend is zijn empathie en betrokkenheid bij zijn studenten en bij de muzikanten en formaties waar hij mee speelt.
Frans, hoe ben je in de muziek terecht gekomen?
“Dat begon met de gitaar. Mijn ouders vroegen wat ik wilde spelen en dat was de gitaar. Mijn broer koos trompet en mijn zus piano. Het waren goede tijden en er was veel muziekonderwijs. Tegenwoordig is dat moeilijk geworden. Ik had een ontzettend leuke gitaarleraar, die leeft nog en heet Henk Haanraads. We noemden hem ‘the chief’ en hij had een Noord-Hollandse act in een cowboypak. Hij speelde dan een beetje Shadowsachtige muziek. Hij was helemaal van The Beatles. Ik begon toen ik acht jaar was en op mijn tiende zat ik al muziek van The Beatles te spelen, zoals Michelle en dat was best nog lastig. De gouden stap was dat ik van iemand een elektrische gitaar kreeg en ik dacht dat je die in het stopcontact moest steken. Je had toen de winkel ‘Tandy’ en die hadden een gitaarversterker staan met microfooninputs. Hij heeft mij toen ook les gegeven op die elektrische gitaar. Allemaal blueslicks, hoe je een snaar moest optrekken en een plectrum gebruiken. Hij stopte op een gegeven moment en ik kreeg een andere leraar die klassiek naar een hoger niveau tilde. We gingen toen Bach spelen, Villa Lobos, Dowland en Leo Brouwer. Er is best veel prachtige gitaarmuziek. Heb nog wel een gitaar en veel elektrische gitaren, daar speel ik graag op. Ik speelde toen in een bandje waar de basgitarist ziek werd. Het was een bigband van de muziekschool en in plaats van gitaarakkoorden spelen mocht ik zelf dingen verzinnen. Dat was geweldig, niet meer iets dat precies op papier staat. Ik zag het ook niet zitten om klassiek gitaar te gaan doen in mijn leven. Het was enigszins onduidelijk wat je daar dan mee zou kunnen. Ik wilde iets anders, met drums erbij en dat was wel mijn idee van een band. De elektrische basgitaar opende dus de weg naar begeleiden en vooral improviseren. Het leukste was om niet precies de dingen te spelen die er staan. Heb nooit in coverbands gespeeld, maar altijd jazz. Ook wel funk, Earth & Fire en James Brown. Alles waarbij je zelf kon variëren. Op een gegeven moment ging ik naar het conservatorium en toen kwam de akoestische contrabas, die ik in een halfjaar een beetje leerde spelen door Arnold Dooyeweerd. De rest is history.”

Hoe is het jou gelukt om een succesvolle loopbaan op te bouwen in de muziek? Je hebt gespeeld met de groten der aarde. Soms ook een beetje geluk?
“Het was in die tijd wel iets makkelijker vergeleken met jonge mensen van rond de twintig die het nu willen maken. Er waren ook niet veel bassisten in vergelijking met tegenwoordig. Op mijn school in Amsterdam heb ik al twintig leerlingen. Toen ik zelf studeerde waren er vijf over de jaren verspreid. De scholen waren ook klein en zijn inmiddels groot geworden. Met het instrument heb je sowieso al een soort speelgarantie vanwege de vraag naar bassisten. Saxofoon, gitaar en vocaal is veel lastiger. Er is ook wel enig geluk geweest. Bepaalde mensen op het juiste moment inderdaad. Waar ik trots op ben is dat ik niet alleen met de groten heb gespeeld, maar ook met de mensen die die muziek hebben uitgevonden. De oude jazzcats die nu allemaal overleden zijn. Clark Terry, Harry Edison en David Fathead Newton, de bandleader van Ray Charles. Ook nam ik twee cd’s op met Art Farmer. Dat is een enorme leerschool geweest. Dat kan nu ook niet meer. De oude garde die nu nog leeft is al vanuit het elektrische tijdperk. Bijvoorbeeld Joe Lovano, John Scofield en Dave Holland, zijnde een bijzonder geval. Als je nu nog met een legende zou willen spelen dan zit je al in een ander tijdperk. Het zijn mensen die nu rond de tachtig zijn, zoals John Scofield en dat is niet iemand die in de twintiger jaren New Orleans muziek heeft uitgevonden. Ik heb met een aantal van die mensen kunnen spelen en dat is echt geluk geweest en waar ik veel van geleerd heb. Een absoluut hoogtepunt in mijn muziekleven was de samenwerking met de legendarische drummer Jack Dejohnette. Hij is vorig jaar overleden. Toen we twintig jaar geleden speelden was hij zestig en ik bijna veertig. Gelukkig hebben we wat opnames in Italië en Taiwan kunnen maken die misschien nog wel eens uit worden gebracht. Tegenwoordig kom je al een heel eind als je lekker lopende bas speelt en een bassolo is niet echt nodig in de jazz. Er zijn iets minder bassisten die iets melodisch doen.” Ruud: “Tony Overwater?” Frans: “Dat is echt iemand die zich onderscheidt van de grote groep bassisten die een beat spelen en alleen maar veel stukken kunnen spelen. Iets anders is dat ik in veel bands heb gespeeld waar veel traditie was. In de jaren tachtig en negentig werden veel standards gespeeld. De jazz is aan het veranderen. Mensen spelen veel meer hun eigen muziek. Van een bassist wordt tegenwoordig een hoeveelheid brains verwacht. Een minimum vereiste is dat je structuren en moeilijke maatsoorten kunt spelen. Die tijd heb ik niet zo meegemaakt dat je heel ingewikkelde muziek moest spelen. In ieder geval waren er absoluut de juiste mensen op het juiste moment.”
Studenten komen naar het conservatorium met vaak hoge verwachtingen over de toekomst. Hoe ga jij daar mee om als docent op het conservatorium?
“Een jongen uit Duitsland, die daar studeerde in een heel klein dorp en daar de meest gevraagde bassist was, kwam op aanraden van zijn leraar naar Amsterdam. Hij was best goed, maar ik zag dat hij ongelukkig was. Hij gaf aan hier te verdrinken. Erg groot en heel veel competitie, dus het advies gegeven om terug te gaan. Er zijn hier ook tijgers met veel lef die hun ellebogen durven te gebruiken en niet bescheiden zijn. Die hebben een grotere kans, maar je bent dan wel een van de twintig. Om te overleven moet je jezelf wel ergens neerzetten. Je kunt het ver schoppen als je maar gelooft in wat je doet. Veel mensen op het conservatorium willen dat ook proberen. Er lopen daar veel bekende en beroemde muzikanten rond, zoals Jesse van Ruller, Martijn Vink en Reinier Baas. Studenten uit de hele wereld willen dan les van deze mensen. Die zien ze als een soort boegbeeld en denken dat het toch mogelijk moet zijn. Ze hebben vier jaar om te studeren, vaak gaat het best lekker, maar dan is het voorbij. Sommigen doen daarna een master. Je komt dan in de scene en gaat spelen, maar je moet wel je best doen. Veel Koreanen die hier studeren beginnen hun eigen conservatoriumpje in Korea. Voor mij is de cirkel dan rond. Als je mensen opleidt en die geven dat weer door.”
De jazzwereld en de podia vormen toch wel een soort gesloten groep?
“In het derde jaar krijgen studenten soms wel een identiteitscrisis. Ze denken wat moet ik doen als ik straks afgestudeerd ben. Ze hebben vrienden die rechten of IT hebben gestudeerd en al een baan hebben. Sommigen maken dan alsnog ook die switch. Toch probeer ik mensen te helpen in een menselijke ontwikkeling. Dat doe ik via de muziek, maar of dat een gouden toekomst wordt, daar praat ik eigenlijk niet over. Als je er alles voor over hebt en je hebt het vuur in je, dan kan dat zich terugbetalen, maar als die vier jaar een struggle is en je voelt je niet helemaal gelukkig dan gaat het misschien niet werken. Ik werk dus aan het psychisch welzijn van mijn leerlingen. Anders is het wellicht een fantastische tijd geweest want het is echt een geweldige studie. Met geld verdienen hebben ook mijn collega’s tegenwoordig moeite. Er zijn minder speelplekken, je moet andere kanalen aanboren, de festivals boeken lang van tevoren en ze boeken meer popmuziek. Het is best lastig om op Northsea binnen te komen. In mijn tijd had je alleen een visitekaartje. De tijd van de socials heb ik wat minder meegemaakt, maar ik heb wel cd’s gemaakt. Je bent daardoor vindbaar.”

Welke veranderingen zie jij in de muziekwereld en de jazz?
“Het aanbod van muziek is enorm groot. Mijn leerlingen hebben moeite met focus. Ken je dit? En ken je dat? Dat schakelen gaat erg snel, soms maar tien seconden een muziekfragment beluisteren. Je kent het begrip ADHD. Ik heb leerlingen die ongelooflijk mooie stukken schrijven, maar die zitten zo onrustig achter de piano. Er is zoveel voelbare onrust. Het is een soort processor die dat nauwelijks meer aankan. Het is moeilijker geworden voor leerlingen om een plaat uit te luisteren. Als oudere docent zeg ik probeer nou eens gewoon een album uit te luisteren zoals dit bedoeld is en er is ook nog een B-kant. Anderzijds wordt er nauwelijks meer vanuit vinyl gedacht. Meestal worden er tien nummers opgenomen en later kijken we wel naar de volgorde. Het is toch digitaal. Ik heb best wel een hekel gekregen aan het shuffle-knopje van Apple. Er wordt dan door elkaar heen een album geshuffeld. Leuk als je tijdens het eten steeds iets anders wilt horen, maar met aandacht luisteren is moeilijker geworden. Het is swipen, switchen en shuffelen. Mijn wereld is de jazz en ik zie dat het danselement er een beetje uitgaat. Als het zo gek mogelijk gemaakt wordt en de groove gaat er uit dan is muziek leeg voor mij en vanuit het hoofd bedacht. Veel muziek van nu is vanuit het hoofd, soms word ik wel geraakt door een creatieve geest die met een geweldig idee komt. Maar het is enorm leuk als je mensen aan het dansen krijgt. Op de Nieuwmarkt is de Cotton Club en daar werd altijd gedanst. De afgelopen dertig jaar is de muziek dus meer vanuit het hoofd ontstaan. Anderzijds ook wel begrijpelijk, want je wilt je onderscheiden door iets anders te doen. Als je dertig Blue Note-platen draait zit daar toch een soort lijn in. ‘Out to Lunch’ was dan echt iets anders.”

Het beeld van bassisten en drummers is vaak dat ze op de achtergrond per strekkende meter meespelen. Recent hoorde ik jou spelen en dat toont in mijn beleving veel meer een fundamentele en actieve muzikale bijdrage. Dat werd ook enorm door het publiek herkend.
“Daar denk ik niet zo over na, maar ik speel wel enorm vanuit mijn gevoel. Ik probeer met Tristan en Yoran (tristanschmidt.nl) een klik te krijgen en het gaat er om wat je met z’n drieën doet. Die opnames heb ik teruggeluisterd en ik ervaar dat als een zoektocht naar elkaar. Af en toe vind je elkaar en soms ook niet. Dat kost op zo’n avond best wat energie, maar geeft soms ook enorm veel energie.”
Ons gesprek gaat inmiddels over techniek, optredens, het trio, de muziekwereld, opnametechniek en dan zou je uit kunnen komen bij AI.
“Laatst sprak ik iemand die aangaf dat wij de muziekbusiness naar een hoger plan willen tillen en dat AI steeds belangrijker wordt, ook verontrustend is maar als je er goed mee omgaat kan het veel. Het bedenken van formats, verdienmodellen, zichtbaarheid en verkoopbaarheid. Het is nu nog in een stadium dat je het een beetje in de hand hebt, maar straks niet meer. Hij liet een applicatie zien die aangeeft welke band in welk land het goed doet op de socials.”
Jij hebt een prachtige bas als instrument, maar het is geen Stradivarius. Volgens mij relativeer jij de gekte rondom peperdure instrumenten een beetje en kun je ook wegkomen met een instrument van vijfhonderd euro.
“Die hele mythe rondom Stradivarius is niet nodig. Ik zoek wel naar een topinstrument maar dat hoeft niet veel geld te kosten. Laatst was ik bij een bouwer van instrumenten en daar stond een prachtige Italiaanse bas die er ook geweldig uitzag, zeker een duur ding? Terwijl hij, met zo’n bril op en een spiegeltje, een beetje aan mijn bas sleutelde mompelde hij een beetje en was een beetje grumpy. Moet ik dan aan een ton denken of is het iets meer? Het was veel meer. Ik speelde erop en dat was echt ongelooflijk. De bouwer gaf vervolgens aan dat het ding een half miljoen kost en dat dat eigenlijk nergens op slaat. Het is alleen maar een beleggingsobject geworden. Er zitten dan tien handelaren tussen, die de hele dag bellen en bieden, omdat ze weten dat zo’n ding over tien jaar nog meer waard is. Op zo’n instrument moet gewoon gespeeld worden en dat is onbereikbaar geworden voor de speler. Alleen grote orkesten investeren dan en dat is een soort status. Iedereen zit dan op instrumenten van tonnen te spelen en dat kun je natuurlijk best horen. Een goede oude bas kopen is lastig. Die vind je, net zoals langspeelplaten, niet meer op zolder. Leerlingen geven aan dat ze zevenduizend euro hebben gespaard en wat ze dan moeten doen. Mijn advies is om dan eerst eens te beginnen met een instrument rond de duizend euro. Vergelijk het eens. Je hebt kans dat je dan gelukkiger wordt van een heel goedkope Chinees. Op het conservatorium staan een paar van die instrumenten en die doen het echt prima. Met zo’n bas, waar ik dan bepaalde snaren op zet en nog even aan sleutel en dan met mijn parametrische EQ krijg ik ook een wereldgeluid. Dan helpt de techniek mij ook want ik weet gewoon welk geluid ik wil. Ben vanaf het begin met geluid bezig geweest en dat herken jij natuurlijk ook.”

Als je samen speelt met musici, wat verwacht je dan van hen?
“Een hoofddoel dat je kunt bereiken in de muziek is dat je iemand anders goed kunt laten spelen. Dat betekent dat je om je ego heen gaat en dat je niet vanuit jezelf denkt, maar dat je probeert iets te spelen dat de ander inspireert om iets te doen en dat er dan een soort chemie is die ontstaat. Ik speel met muzikanten die heel erg met hun eigen instrument bezig zijn en met muzikanten die dat niet zijn en dat laatste vind ik heel prettig. Die zijn met het totaal bezig. Als dat er niet is, dan word ik altijd een beetje ongelukkig. Ik verwacht ook focus in het moment. Met z’n allen de concentratie weten te vinden. In een trio is wel meer ruimte voor experimentjes dan in bijvoorbeeld een kwintet. In een groter orkest heb je meer gewoon een functie. Dan nog probeer ik mijn bijdrage aan het totaal te leveren.”
Wat wil je nog bereiken?
“Ik heb een enorme belangstelling voor strijkers. Een van de fijnste dingen is om in een orkest te spelen met strijkers. Dat kan gewoon met een band zijn. Met het Metropole speelden we in het Muziekgebouw aan ‘t IJ ‘Metropolarity’ (Jasper Blom). Veel strijkers en dat was een feest. Ook om dat te mixen. Aanstaande zomer speel ik in de Baltische landen met een symfonieorkest. Een soort jazz meets opera. Daar kijk ik enorm naar uit. Ik heb ook strijkersarrangementen gemaakt. Ik ben weer zo geïnspireerd door de Matthäus-Passion. Die polyfonie en stemmen die door elkaar heen bewegen. Dat staat eigenlijk een beetje naast de bas dat ik als arrangeur bezig ben.”
Fotografie: Ruud Jonker

Reacties (0)