De interviews met musici, bands en ensembles vormen een serie. Een zoektocht naar het innerlijk van de musicus. Waarom en hoe zijn deze artiesten met muziek bezig? Wat beweegt ze? Hoe is het leven als artiest? Hoe krijg je bekendheid? Kun je daarvan bestaan? Hoe ga je om met het publiek? Waar komt die diepe liefde voor muziek vandaan? In deel 23 maken we kennis met sound engineer Frans de Rond. Hij is een enorm enthousiaste en haast niet te stoppen verteller met een enorme ervaring in het vak. In sound engineering is er geen beste manier om een opname te maken. Elke engineer heeft een eigen recept en bij iedereen leidt dat tot voortreffelijke resultaten. Het eindresultaat is ook altijd een mix van wat je als engineer meeneemt en de wensen van de klant. Frans staat hoog aangeschreven bij die klanten en het sympathieke van Frans is dat hij altijd behulpzaam is en de helpende hand uitsteekt. Ondergetekende heeft dat meerdere malen ervaren tijdens werkzaamheden in Studio 2 en Studio 9 van Heuvellaan2.
Frans de Rond is een enorm enthousiaste en haast niet te stoppen verteller met een enorme ervaring in het vak. In sound engineering is er geen beste manier om een opname te maken. Elke engineer heeft een eigen recept en bij iedereen leidt dat tot voortreffelijke resultaten. Het eindresultaat is ook altijd een mix van wat je als engineer meeneemt en de wensen van de klant. Frans staat hoog aangeschreven bij die klanten en het sympathieke van Frans is dat hij altijd behulpzaam is en de helpende hand uitsteekt. Ondergetekende heeft dat meerdere malen ervaren tijdens werkzaamheden in Studio 2 en Studio 9 van Heuvellaan2.
Frans, hoe ben jij in het vak begonnen?
“Van kinds af aan had ik een enorme belangstelling voor elektronica. Op een houten plankje met een teller uit een oude auto en batterijen maakte ik iets en wilde dus echt de techniek in. Na de MAVO ben ik op de MTS elektronica beland. Dat was in de begintijd toen IC’s kwamen en je schakelingen kon bouwen, een leuke tijd. Ik speelde nog geen enkel instrument, maar een neef van mij drumde en dat vond ik heel interessant. Hij verdween uit beeld want hij ging in dienst en vormde daar een bandje met een gitarist uit Rotterdam en een bassist uit Groningen. Ze hebben daar lekker een jaar gespeeld en ge-jammed en wilden eigenlijk wel verder.”
Eerst spelen en daarna op les?
“Vanwege de afstand haakte de bassist af. Vervolgens introduceerde mijn neef mij, regelde een basgitaar en deelde mee dat de repetitie de volgende week zou zijn. Vervolgens besloot ik om meteen basles te gaan nemen. Ik luisterde in die tijd alleen maar naar popmuziek, Radio 3 en veel rock. Op basles kwam ik opeens in aanraking met jazz. Wauw, van mijn leraar kreeg ik een cassettebandje met alle highlights uit zijn platencollectie van bassisten die ertoe deden. Ik had nog nooit van al die mensen gehoord zoals Jaco Pastorius, Marcus Miller en Ray Brown. Daar ging ik naar luisteren en ik wist niet wat ik hoorde. Internet bestond nog niet dus ik naar de muziekbibliotheek om van alles op te zoeken. Je ontwikkelt dan een enorme liefde voor fusion, jazz en funk.”

Het werd opeens serieus?
“De liefde voor muziek begon zo te groeien, dat ik zocht naar iets dat techniek en muziek zou combineren. Een klasgenoot vertelde dat hij muziekregistratie ging doen op het Haagse conservatorium. Dat leek mij ook wel heel interessant en sloot perfect aan bij mijn interesse in zowel techniek als muziek. Je moest ook een instrument beheersen. Ik moest toelatingsexamen doen voor contrabas, dus dat was wel even iets anders dan een basgitaar, Ik moest ook nog in dienst en achteraf gezien was dat een perfect jaar om mij voor te bereiden. Een volgend geluk was dat mijn leraar op het conservatorium een contrabasleerling nodig had. Dat kwam als een geschenk. Hij heeft mij een jaar lang voorbereid voor het conservatorium. Voor de zekerheid heb ik ook nog in Hilversum toelating gedaan voor het hoofdvak contrabas, maar in Den Haag kon ik meteen komen. Na het eerste algemene jaar kon je specialiseren en ik koos de richting ‘studio techniek’, waar we al die (conservatorium) bands op mochten nemen.”
Leuker dan die bas?
“Dat is nog een heel gevecht geweest, ik weet niet hoe dat nu is, maar op het conservatorium was een gebrek aan bassisten. In het eerste jaar werd ik dan ook meteen gevraagd door hoofdvakstudenten om mee te doen. Ik speelde in een combootje met die studenten en er ging een wereld open. We gingen schnabbelen, geld verdienen en je kon een autootje rijden. Het ging zo leuk dat ik door het conservatorium uitgenodigd werd om ook een hoofdvak daarnaast te doen. Dat heb ik een jaar gedaan, maar dat was wel erg zwaar. Ik zat in het derde jaar muziekregistratie en kreeg het gevoel dat ik moest gaan kiezen. Dat werd dus het opnamevak.”
Hoe verder?
“Je bent dan klaar aan het conservatorium, maar wat dan verder? In de krant werd niet meteen gevraagd naar een muziektechnicus, maar na de diensttijd en al die studies wilde ik gewoon gaan werken. Een paar maanden voor mijn eindexamen zag Hanneke, mijn toenmalige vriendin, in De Volkskrant een advertentie voor een programmatechnicus bij het NOB in Den Haag op het Binnenhof. Ik studeerde daar en dacht als je daar eenmaal binnen was, je dan bezig zou kunnen zijn met het Metropole Orkest en andere werkzaamheden. Ik had een sollicitatiegesprek met de hoofdtechnicus van het NOB en de cheftechnicus van het Binnenhof en mijn papieren waren prima, maar het was meer een gesprek over wie ik was. Er kwam een heel essentiële vraag. Er komt een verslaggever binnen met een op een Nagra opgenomen bandje met 9,5cm/s snelheid. Je hebt zelf alleen een machine die op 19 en 38 loopt. Wat doe je? Ik ben technisch aangelegd, gaf het goede antwoord en werd aangenomen. Na een korte opleiding ging ik aan de slag en ontdekte dat ik niet zo ervaren was als ik dacht. Je leert daarvan dingen waar ik nu nog steeds plezier van heb.”
Toch indertijd moeilijk vanwege de vele bezuinigingen?
“Mijn baas in Hilversum gaf aan dat mijn ambitie bij het vak van muziektechnicus lag, maar dat dat heel lastig zou worden. Bij het Metropole Orkest zijn jongens die al tien jaar assistent technicus zijn en wachten op doorstroming om hoofd muziektechnicus te worden. Het advies was dus om voor mezelf te gaan beginnen. Met de gitarist uit mijn bandje, die ook belangstelling had voor techniek, was ik al een soort homestudiootje begonnen. Eigenlijk al voordat ik naar het conservatorium ging. Hij studeerde aan de TH, was zakelijk al een stuk verder en suggereerde om een studio te beginnen. Ik had nog niet gespaard, maar hij schreef een businessplan. Wilde vervolgens naar de bank en zien wat er zou gebeuren. Zo geschiedde, we kregen een prachtige ruimte in Loosdrecht, geld van de bank en kochten alle benodigde apparatuur. De verbouwing hebben we allemaal zelf gedaan.”
Ruud: “Een studio, maar dan nog klanten?” Frans: “Dat ging vrij snel. Het moet via Kick Music in Hilversum zijn gegaan om een bandje binnen te kunnen halen. Dat was de start van het eerste album en van het een kwam het ander.”

Elke engineer heeft een eigen manier van opnemen. Hoe doe jij dat?
“Ik ben opgevoed met twee niertjes voor de overhead, een SM57 voor de snare, een D12 voor de bassdrum en alles heel cliché. Je wist niet beter, je legt het geluid van al die microfoons over elkaar heen en dat klinkt dan goed. Musici herkennen dat, vinden dat fijn en zo werden voorbeeldalbums uit de jaren tachtig opgenomen. Veel Amerikaanse opnames klonken mooi en ‘bigger than live’. Je probeerde dat na te doen en zo heb ik jarenlang opgenomen. Je zoekt dan naar de juiste microfoons en het is een lange weg. Hoe neem je nou een contrabas op? Welke microfoon? Dan komt er een andere bassist en dan is het ‘t net weer niet. Een Philips-engineer, Onno Scholtze, uit die tijd vond dat allemaal niks en pleitte voor het gebruik van omni’s. Je krijgt dan meer ruimte-informatie die zo goed klinkt dat het niet stoort. Daar ging ik mee experimenteren maar daardoor ging ook mijn mix anders klinken. Je krijgt dan een soort eigen sound waar bands op af komen.”
Harry van Dalen (Rhapsody)
“Was daar al eens geweest en Harry gaf aan dat de monitoring in de studio niet goed was en dat engineers helemaal niet wisten waar ze naar luisterden. Dat was confronterend en later, toen ik weer met Harry in aanraking kwam was hij genuanceerder. Ik zat aan de opnamekant en Harry aan de weergave. Zijn klanten natuurlijk ook. Harry wist precies wat hij wilde horen in een opname. Ik zat in mijn eigen bubbel en had geen contact met die andere wereld. Rhapsody-klanten vonden het raar, die van links naar rechts gepande drums. Waarom is het niet alsof ik voor zo’n band sta? Waarom klinkt het zo plat? Het was voor het eerst in mijn leven dat iemand begon over driedimensionale weergave en diepte. Dat is de start geweest van anders luisteren en ik heb ook echt moeten leren luisteren. Rhapsody was dichtbij, dus ik kwam daar best vaak om een bakkie te halen en om te luisteren. Je leert dan om het verschil tussen kabels, voedingen en al die dingen te herkennen.”
Internet?
“Alle bandjes die ik opnam verkochten die cd’s in eigen beheer. Ik wilde een platform om al die muziek te verzamelen en beschikbaar te maken voor iedereen. Toen kwam internet op en ik wilde een webshop waar die opnames in studiokwaliteit te downloaden waren. Ik vroeg vervolgens aan Peter Bjørnild, die ik kende van het conservatorium en waar ik platen met Carmen Gomes mee opgenomen heb, of hij dat samen met mij zou willen doen? Hij voor de connectie met de musici, dus een beetje A&R en ik voor de techniek. Zo is Sound Liaison ontstaan. Het idee was om een verbinding te maken tussen talent uit Nederland en luisteraars die behoefte hebben aan mooie akoestische opnames met veel diepte en een mooie stage. Atzko Kohashi bedacht onze naam, want die staat voor ‘verbinding’.”
Rhapsody
“Daarnaast ben ik ook projecten met Rhapsody samen gaan doen. Zij wilden dat helemaal analoog doen. Er kwamen dus een Studer 961-mengtafel en een Studer A80-recorder. Het was voor mij heel bijzonder om helemaal analoog te werken. We namen hier in Studio 2 een plaat op met Carmen en toen had de CEO van TAD interesse. Hij vond het alleen nog niet bijzonder genoeg. Hij suggereerde om eens iets te doen dat anderen niet doen. Waarom zou ik naar een Nederlandse trompettist luisteren als dat ook naar Miles Davis kan? Er moet een extra reden zijn. Hij noemde een Japans label dat opnames maakte met een enkele stereomicrofoon. Vervolgens ontmoette ik bij Rhapsody cellist Ernst Reijseger. Hij had een album, opgenomen met een enkele microfoon. Dat was piano, zang en cello. Winter & Winter, het Duitse label, had een Josephson microfoon met drie kapsels waarmee je ook surround kunt genereren. Via Joystick, de Belgische importeur, kreeg ik de beschikking over een C700S om wat mee te kunnen testen. Na een opname met Carmen Gomes was er op de tweede dag wat tijd over. We hebben toen geëxperimenteerd met die microfoon. Ik was al een beetje moe en het was best ingewikkeld. De band kwam vervolgens boven en die vonden het resultaat helemaal te gek. De volgende dag ging ik nog een keer luisteren met de bedoeling om het daarna weg te gooien. Toch was dat een heel andere ervaring. Er was stage, diepte en realiteit. Heel anders dan dat je close miked. We waren zo enthousiast dat we een one-mic album op gingen nemen, maar feitelijk een one-mic stereo recording.” Ruud: “Gebruik je dan nog wel steunmicrofoons?” Frans: “Op een gegeven moment ga je merken, zeker met grotere bezettingen, dat het ook fysiek moet passen. De bassist wil dan bijvoorbeeld iets naar achteren om een zichtlijn te hebben met de drummer. Je houdt dan wel het effect van die ene microfoon, maar met een klein beetje hulp van de steunmicrofoon zodat het weer in balans is. Heb wel gemerkt dat er een bijzondere match is tussen die microfoon en Studio 2.”
Jij hebt in Wes Dooley’s rule of five ook wel een belangrijke richtlijn gevonden?
“Hij gaf aan dat er in volgorde vijf principes zijn om een goede opname te maken. De muziek, de musici, de ruimte, de plaatsing van microfoons en de microfoons en apparatuur. Die techniek is allemaal leuk, maar of je met de ene of andere pre-amp werkt is iets minder belangrijk. Voor mij is het een heel belangrijke richtlijn.”
Je hebt best wel een haat-liefde verhouding met al die zich in computers afspelende techniek?
“Met al die processing in de computer klinkt dat best wel oké maar musici merkten op dat het ook iets weghaalt van de instrumenten. Je gaat wel op zoek naar de beste kwaliteit van eq’s en effecten om bijvoorbeeld een bas te corrigeren, maar vaak ben je te gefocussed op je correctie en je hoort niet meer het grote plaatje en wat er dan met die bas gebeurt. Ergens trek je er ook een stukje leven uit. Als je dat met al die plug-inns doet, hou je uiteindelijk niets over. Het klopt wel, maar er zit niets meer in.”

Linkwitz is een fan van jouw one-mic opnames.
“Ze vroegen of ik daarover iets wilde komen vertellen op de Expona, maar ik ben niet meteen naar Chicago gevlogen. Frank Brenner van Linkwitz (gevestigd in Stuttgart) gaf aan ook in München te zijn met hun luidspreker en daar is een leuk contact uit voortgekomen. Mag ook voor een tijdje hun LX521-luidsprekers hier in de studio gebruiken. Het is een dipool en ze klinken enorm ruimtelijk met veel diepte. Frank is een enorme voorstander van het dsd-formaat. Hij suggereerde om in dsd te gaan werken. Had er tijdens mijn studie wel van gehoord, maar ik vond het te ingewikkeld ten opzichte van het werken in pcm. Jared Sacks (NativeDSD) nodigde mij vervolgens ook uit om in dsd te werken en gaf als extra argument aan dat ik toch al de benodigde Merging-apparatuur gebruikte. Inmiddels nam ik al dxd op en dat deed ik met Nuendo. Met mijn versie van Pyramix kon ik maximaal acht sporen dsd opnemen. Die 8 sporen kon ik wel mixen met de Studer mengtafel en dat klonk echt anders. Het is nu of de instrumenten echt voor je staan. Er is ook meer ruimte-informatie, terwijl de microfoons toch op dezelfde plek staan. Je hoort ook in positieve zin Studio 2 in al zijn glorie. Je hoeft ook niet te corrigeren. Met pcm is altijd een soort onrust.
Momenteel zit ik dus een beetje in de stream van one-mic, dsd en kijken wat dat gaat brengen. Toch luisteren veel mensen nog naar pcm. Je gooit dan toch weer iets weg als je gaat converteren. Sommigen geven ook aan geen verschil te horen en als je dan doorvraagt gaat het vaak om een pcm-opname die omgezet is in dsd. De truc zit natuurlijk aan het begin. Ik moet alleen Pyramix leren kennen en voel me als een jochie dat het vak moet leren. Wel allemaal heel leuk.”
De toekomst van streaming?
“Ik denk dat de rol van streaming steeds groter wordt omdat de wereld aan je voeten ligt qua aanbod. Als ik zelf online ben heb ik de neiging om te zappen. Je luistert niet meer rustig naar een album. Mensen zeggen wel eens dat er niets fijner is dan thuis een plaat op te zetten en rustig te luisteren. Daarom overwegen we om toch voorzichtig met vinyl te beginnen.” Frans: “Vraag aan jou hoe het is in de wereld van sacd?” Ruud: “Ik merk dat heel veel cd’s en sacd’s steeds meer een collector’s item worden en enorm gevraagd zijn. Er worden ook nog enorme hoeveelheden van gemaakt en met name jazz en klassiek komt vaak uit op sacd. Geen idee of dat een niche blijft, maar zolang je er iets mee kunt….” Frans: “De sample rates gaan omhoog met het streamen en misschien kunnen we straks dsd streamen. Toen ik begon met Sound Liaison deed ik alleen hi-res downloads. Als musici dan mp3’s op Spotify wilde zetten dacht ik ga je gang, want het is belangrijk voor jullie promotie. De laatste jaren zijn we daar van teruggekomen. Mensen gaven aan dat ze ons materiaal niet op Qobuz vinden, dat ze gebruiken als ontdekkingstool. Als jullie niet te vinden zijn, kunnen we ook niet naar de website om iets te downloaden. Michael van Rhapsody geeft aan dat zo’n stream die je binnen krijgt nooit zo goed gaat klinken. Hoe zie jij dat?” Ruud: “Met de streaming techniek is an sich niet zoveel mis. Jitter wordt uiteindelijk door de buffers in de converter gecorrigeerd en het signaal wordt opnieuw uitgeklokt. Het probleem zit in de bewerking die de streaming sites toepassen. Bijvoorbeeld compressie en collega Sander van der Heide kan dat grafisch laten zien. In mijn beleving klinkt een cd of sacd dan vaak beter dan wat je met streaming binnen krijgt. In de toekomst wordt dat misschien beter. Door compressie scheelt het veel in bandbreedte en opslagcapaciteit. Mijn problemen met streaming betreffen het asociale verdienmodel en het feit dat een streamingsite op elk moment materiaal kan verwijderen. Ook vervangen slechte re-releases vaak de originele cd.” Frans: “Je ziet bij artiesten wel de neiging om geen cd’s meer te maken. In Studio 1 heb ik een opname gemaakt met Scott Hamilton. Dat was echt flabbergasted. We gaan als pilot een sacd maken. We willen daarmee ergens in Japan of Korea aanhaken.” Ruud: “Japan en Korea zijn nog landen waar fysieke media populair zijn.”
Wat is nog the dream?
“Het zou heel leuk zijn om mijn label meer body te geven. Ik werk natuurlijk veel in opdracht van anderen, maar ik heb nu one-mic en dsd en dat wil ik meer neerzetten. Ik kijk natuurlijk best op tegen al die Amerikaanse producties, maar soms halen we in Amerika ook 5 sterren.”
Fotografie: Ruud Jonker

Reacties (0)