Interview: Deel 18 – Christina Pluhar – “De eerste toegang tot muziek gaat via het hart”

16 december 2025 + 10 minuten 0 Reacties
interv_Christina Pluhar_@Michal Nowak 2025
FWD award

De interviews met musici, bands en ensembles vormen een serie. Een zoektocht naar het innerlijk van de musicus. Waarom en hoe zijn deze artiesten met muziek bezig? Wat beweegt ze? Hoe is het leven als artiest? Hoe krijg je bekendheid? Kun je daarvan bestaan? Hoe ga je om met het publiek? Waar komt die diepe liefde voor muziek vandaan? In deel 18 staat Christina Pluhar in de schijnwerpers.

Het is altijd spannend om te ervaren hoe musici en artiesten, die je soms alleen van afstand kent, in werkelijkheid zijn. De praktijk leert dat de echte grote namen doorgaans bescheiden, enorm gedreven, aardig en met veel diepgang zijn. Je maakt dan een afspraak voor een ontmoeting en spreekt herkenningstekens af. Zo’n gesprek vindt plaats op vliegvelden, in concertzalen, hotels en in de horeca die soms druk en soms intiem en cosy is. “Ik ben die jongen met een heldere blik, sneakers en een smartphone.” Het omgekeerd herkennen van Christina was niet moeilijk. Ze kwam binnen met een enorme koffer met een theorbe. Christina heeft het bijzondere talent om oude muziek zodanig te kiezen en te spelen dat het razend spannend en aantrekkelijk is om naar te luisteren. Hierbij een fascinerend gesprek met deze open, bevlogen en sympathieke musicus die een enorme bijdrage heeft geleverd aan de popularisering van de oude muziek.

Christina, je nieuwe opus ‘Wonder Women’ is gericht op vrouwen in de muziek. Is daar nog vooruitgang te bereiken?
“Het project start in de zeventiende eeuw waar vrouwen in de muziek absoluut geen rechten hadden. Het is niet vergelijkbaar met de twintigste of eenentwintigste eeuw waar op dit gebied veel werk is gedaan, in het bijzonder in de twintigste eeuw. Maar, ik ben een vrouwelijke dirigent en leider en voel dat er tegenwoordig meer gelijkheid is. Wonder Women is samengesteld om meer discussie daarover te krijgen. Je ziet dat er nu veel nieuwe en jonge vrouwelijke dirigenten zijn, vooral de laatste twintig jaar, maar in vergelijking met de mannelijke dirigenten is het nog een superklein percentage. Ik denk niet dat er op een gelijke manier naar vrouwen en mannen wordt gekeken. Bij de grote operahuizen en symfonieorkesten is het heel zeldzaam dat vrouwelijke dirigenten worden geaccepteerd. Bij de Wiener Philharmoniker is het pas twintig jaar geleden dat vrouwen werden geaccepteerd om in het orkest te spelen, dan hebben we het niet over dirigeren. Wonder Women gaat vooral over de geweldige vrouwelijke componisten uit de zeventiende eeuw. Als je in die eeuw niet was getrouwd dan had je helemaal geen rechten. Meestal gingen een huwelijk en loopbaan niet samen. De vrouwelijke componisten die we kennen werkten in een convenant of hadden uitzonderlijke kwaliteiten waardoor ze konden schrijven of zeer goede musici werden. Veel daarvan hadden een opleiding, als ze opgroeiden in een gezin met musici en waar een focus was op kunst. Francesca Caccini (1587-1646) is daarvan een voorbeeld en de eerste vrouw die een opera schreef. Ze had de mogelijkheid om te reizen en dat was voor die tijd volledig uniek. In ieder geval moet de discussie verder gaan. Voor mijn eigen loopbaan is het niet bijzonder om een vrouwelijke componist te zijn, maar om dirigent te zijn is nog steeds lastiger bereikbaar. Ik heb mijn eigen orkest, ben dirigent en ik doe ook het management daarvan.”

Je startte met een studie klassieke gitaar, dus je speelde waarschijnlijk stukken van onder andere Sor en Aguado, zoals iedereen begon en vervolgens ontdekte je de oude muziek. Wat was de trigger daarvoor?
“Dat was de muziek. Op de gitaar speelde ik Dowland en Bach en een vriend van mij in Oostenrijk informeerde mij over een zomercursus in Italië waar het mogelijk was om een luit te proberen. De cursus werd georganiseerd door een groep met de naam ‘The little Concert’ uit Amsterdam (de huidige groep is een voortzetting van een eerder ensemble). Aan het einde van die cursus vroeg de docent of ik in Den Haag zou willen komen studeren en twee weken later verhuisde ik naar Holland. Mijn moeder schrok daar erg van, maar legde zich neer bij mijn wens om met de muziek verder te gaan.”

Je speelt op heel veel instrumenten. Is dat niet verwarrend?
“Het is normaal dat elke luitspeler op veel verschillende soorten luiten speelt. Ze komen uit dezelfde familie van instrumenten. Voor de harp is het anders. Er zijn veel verschillende typen, maar ik ben gespecialiseerd in de triple harp, die in het begin van de zeventiende eeuw werd toegepast. Dus eigenlijk speel ik maar op twee verschillende soorten instrumenten. De instrumenten zijn gerelateerd aan elkaar. Het is niet zo dat ik piano, gitaar, viool en trompet speel.”

Je improviseert veel. Was dat voor oude muziek gebruikelijk in die dagen en hoe ver kun je daarin gaan?
“Improviseren in de zeventiende eeuw was niet alleen gebruikelijk, maar ook verplicht. Er zijn in die tijd veel boeken geschreven over de kunst van het improviseren. Je leert het dus zoals je een taal leert. Je krijgt patronen over hoe je van een noot naar de volgende kan, met de ornamentatie die je toe kunt voegen en dat heet ook wel the art of diminution. Er werd vaak fraaie contrapunt muziek gekozen en daar werd een van de stemmen geornamenteerd. In de zeventiende eeuw waren er zangscholen in bijvoorbeeld Rome, waar de kinderen elke dag les kregen in contrapunt en ornamentatie. Als je een professioneel musicus was en je kon niet improviseren, dan werd je buitengesloten. Het is alsof je vandaag zegt dat je jazzmusicus bent maar niet kunt improviseren.
Toen ik L’Arpeggiata oprichtte, vijfentwintig jaar geleden, hadden we geleerd om te improviseren. In Basel, waar ik studeerde, was een cursus om dat te leren. Het was alleen niet gebruikelijk om dat on stage te doen. Het ging meer om het interpreteren van muziek dan om het improviseren. Een doel van mijn groep was om te improviseren tijdens de uitvoering. In die vijfentwintig jaar zijn we dat steeds vaker gaan doen en er is natuurlijk een hele taal om dan te leren. Eerst met het repertoire, dan met die boeken, maar dan moet je het ook gaan doen. Je wordt pas goed als je het echt gaat spelen.”

Volgens mij houd jij ook van jazz?
“Als je niet alleen de geschreven noten speelt, maar ook improviseert word je op dat moment de bedenker van iets nieuws op het moment dat je speelt voor een publiek. Het wordt dan erg momentele muziek die alleen bestaat op het moment dat je improviseert. De communicatie met je publiek wordt meer duidelijk en intens als de musici improviseren. Het is hun muziek en de wereld van de oude muziek bestaat dan niet meer. Je gebruikt die stijl en muzikale taal maar het is tegelijkertijd eigentijds geworden.”

Je hebt een enorm talent om fascinerende muziek te kiezen en te spelen. Hoe doe je dat?
“Dat is natuurlijk mijn werk. Het samenstellen van programma’s en het beste voor een artiest te kiezen. Dat maakt dat het werkt voor ons. Ik zeg niet dat ik de Mattheüs kies en daar een zanger voor uitnodig. Het gaat andersom. Ik kies de zangers en dan kies ik de songs die daarbij passen. De programma’s zijn erg gefocussed op de artiesten en de stemmen die ik kies. Ik kies een thema, artiesten en de songs. Dat maakt het speciaal.”

Verzamel je ook vintage instrumenten?
“Met de luit is dat anders. De originele instrumenten zijn te fragiel. Snaarinstrumenten, zoals de viool en cello, worden beter naarmate ze ouder worden. Dat is helaas niet zo met de luit. Het hout is erg dun, al tijdens de bouw en het wordt zelfs dunner naarmate de tijd verstrijkt. Het krimpt, verlies volume en wordt steeds fragieler. Er zijn maar heel weinig instrumenten die nog kunnen worden gerestaureerd. Het is dus niet mogelijk om zulke instrumenten te verzamelen. Sommige mensen die ik ken hebben al lang geleden van die instrumenten gekocht voor toen een laag bedrag. Wij zijn afhankelijk van luitbouwers die de oude modellen reconstrueren. Ze gaan naar de musea, meten al die instrumenten en bouwen ze dan na. Daar spelen wij mee.”

De Indiana Jones in mij ziet jou kruipen tussen dozen in stoffige bibliotheken om nieuwe muziek te ontdekken. Een uitdagend beeld.
“De research is een fascinerend deel van het werk. Je kruipt niet echt tussen de boeken, maar het is wel detectivewerk om muziek te vinden die nog niet is ontdekt. Ik werkte veel in bibliotheken en er zijn veel herinneringen. De Vaticaanse bibliotheek in Rome is gigantisch. Zo groot dat ik een musicologische vriend inschakelde om uit te vinden waar de catalogus zou zijn. Dat is feitelijk een heel grote ruimte vol met catalogi. Als je niet weet waar de catalogus met zeventiende-eeuwse muziek is, heb je geen kans om die te vinden. Dat was in het begin, maar er is nu een grote verandering. Vroeger ging ik zelf naar die bibliotheken. Je bestudeert dan de catalogus, vindt iets dat interessant is en dan brengt iemand je die boeken. In Rome mocht je dan vijf boeken of manuscripten per dag aanvragen. Dat kost veel tijd maar was ook opwindend omdat je in Rome bent, in het Vaticaans museum en uiteindelijk het originele boek of manuscript in handen hebt dat de componist zelf heeft geschreven. Nu zijn alle bibliotheken in de wereld en ook in Italië bezig met het digitaliseren. Je kunt online zoeken en kijken en het werk van twee weken kun je nu doen in twee uur. Het is sneller, goedkoper maar minder romantisch.”

Als je in een bibliotheek het echte werk in handen hebt, hoe maakten ze dan een kopie voor je?
“Ze maakten een microfilm of een negatieve microfilm. Die ontving je dan na drie maanden. Je moest dan naar een copyshop om prints te laten maken. Tegenwoordig kun je de gedigitaliseerde bestanden gewoon thuis printen.”

Als je in de studio opneemt, ben je dan ook bezig met geluidskwaliteit?
“Dat is wat ik doe. Samen met mijn sound-engineer maak ik het geluid. Ik doe ook de editing. In feite het mixen, montage, het plaatsen van de microfoons en elke stap om tot het eindproduct te komen. Welke microfoon het wordt is het werk van de soundengineer, maar samen bepalen we wel de sound. We doen ook Dolby Atmos, maar een deel van het publiek heeft natuurlijk geen toegang tot dit systeem van weergave. Het is wel een geweldige ervaring en ook tegenstrijdig. Veel mensen hebben niet eens meer luidsprekers, maar luisteren met oordopjes. We moeten dus verschillende eindmixen hebben. Voor smartphones en Spotify, met fake Atmos voor die hoofdtelefoons, high quality voor Qobuz en platforms die hoge resoluties beschikbaar stellen en de cd, die ook Dolby Atmos bevat. Het is mijn wens dat meer mensen de beschikking zouden hebben over hoge kwaliteit weergave, want daar werken we enorm aan. Met al die internet-platforms wordt de kwaliteit steeds minder. Het is crazy, consumenten hebben niet eens meer cd-spelers en luidsprekers thuis.” Ruud:  “Heb je zelf een goed systeem thuis?” Christina: “Nee, ik luister altijd in de studio, musici zijn vrijwel nooit thuis en we hebben ook het privilege om naar livemuziek te kunnen luisteren.”

Je doet enorm veel, maar wat is de droom voor de toekomst, wat wil je nog bereiken?
“Na 25 jaar werken met  L’Arpeggiata mag ik trots zijn omdat er al veel is bereikt. De concertzalen zitten vol, het publiek is enthousiast, we doen concerten over de hele wereld en veel projecten. Voor de toekomst hoop ik dat de wereld daar mee door kan gaan. De oude muziek beweging is geboren in een tijd dat het goed ging met de wereld. Cultuur had een goede plaats en er was geld. Er waren veel festivals in de tachtiger en negentiger jaren. Momenteel leven we in een afschuwelijke tijd met onzekerheid en zorgen. Hopelijk stoppen de grote issues zo snel mogelijk. De economie in Europa staat onder druk en cultuur is altijd het eerste waarvan men vindt dat het niet nodig is. Tijdens Covid maakte men een grote vergissing. Alle musea en muziekpodia werden meteen gesloten met als argument dat cultuur niet belangrijk is voor mensen. Men ontdekte al snel dat mensen die cultuur nodig hebben. Mijn wens voor de toekomst is dat er weer veel meer aandacht komt voor cultuur. Momenteel gaat het meeste geld naar wapens. Ik groeide op met het idee dat er na de tweede wereldoorlog geen conflict meer nodig zou zijn, maar dat is niet waar gebleken. De wens is dat er vrede komt en dat cultuur voor iedereen beschikbaar blijft.”

In Nederland zijn nog slechts elf muziekscholen. Wij kregen op school nog muziekles.
“We weten hoe belangrijk muziek voor kinderen is. Het heeft te maken met de ontwikkeling van de hersenen en de sociale vaardigheden. Het is een grote fout om te besparen op muziekeducatie. Veel problemen op deze wereld kunnen verdwijnen als mensen zouden spelen en zingen.”

Wat kunnen we doen om de belangstelling voor muziek en in het bijzonder oude- en klassieke muziek te promoten?
“Jonge mensen zijn minder geïnteresseerd in klassieke muziek. Het start met educatie. Ik had een muziekleraar die dat fantastisch deed. Vanuit een klas waar ik zat met dertig kinderen gingen er uiteindelijk vijfentwintig door naar de muziekschool. Die lerares liet iedereen zingen, ze zong Mozart-aria’s en speelde. Geen popsongs, maar Haydn, Mozart en anderen. Ze wilde dat iedereen zich deze muziek nog zou kunnen herinneren, ongeacht wat je dan later zou gaan doen. We zouden elke culturele uiting de hoogste prioriteit moeten geven. Hoe meer ervaring als je jong bent, hoe groter de kans dat je later naar klassieke uitvoeringen gaat luisteren. Aan de andere kant moeten we de klassieke uitvoeringen ook aantrekkelijk, catchy en funny maken voor jongeren. Dat is mijn taak. Als klassieke muziek alleen intellectueel is en geen emotie kent, dan is het voor mij een mislukking. Je hebt beide best ook nodig in kunstvormen, maar de eerste toegang gaat altijd via het hart en niet via het verstand.”

Komen er jongeren naar jouw concerten?
“Dat doen ze. Het hangt wel af van de festivals en concertvenues. Elk podium heeft wel een specifiek publiek, maar een zeker percentage is altijd ook ons publiek. Veel mensen reizen en brengen hun familie en kinderen naar onze concerten. Dan horen we dat hun kind van twee jaar al YouTube-clips van onze optredens zagen en waarderen. Dat is het beste compliment dat we als musici mogen ontvangen. Kinderen reflecteren niet. Ze zijn ‘on’ of ‘off’. Ze vinden het wel of niet mooi.”

Hoe kom je als startend musicus bovendrijven in een wereld die barst van het talent?
“Om heel eerlijk te zijn was een heel belangrijke reden om voor oude muziek te kiezen het feit dat niemand daar mee bezig was. In Graz, mijn stad in Oostenrijk en in mijn tijd daar, was er geen oude muziek. Het voelde dus als zijnde een pionier. Zo voelde dat ook bij de start van mijn ensemble dat zeventiende-eeuwse muziek begon uit te voeren. Er waren niet veel anderen. In die muziek is ook heel weinig beschreven. Als je Händel speelt hoef je niet zoveel te weten van die muziek. Het klinkt meteen goed. Als je Monteverdi speelt, moet je weten hoe te improviseren, de stijl, welke kleuren, hoe speel je de basso continuo, hoe maak je het levendig en hoe moet je het zingen. Ik was enorm gepassioneerd door deze muziek en misschien niet de eerste, maar wel een van de weinigen. Dat gaf een enorme stimulans en tijdens het doen van al die research voelde dat als een open boek. De laatste vijfentwintig jaar probeert iedereen iets te vinden dat nog niet is vertoond. Zeker na Covid is er een explosie. Dat staat haaks op de teruglopende budgetten. Meer musici en minder geld. Wat kun je doen aan deze situatie? Helaas heb ik daarop geen antwoord. Ik hoop dat musici een verdiende plaats krijgen in de wereld.”

In dat licht kom ik nog even terug op je overstap van de gitaar naar de luit.
“Toen ik stopte met de klassieke gitaar en verder ging met de luit, ik was een jaar of achttien en had internationale gitaar competities gedaan en het repertoire voor de gitaar gespeeld, stelde ik mij de vraag wat ik de komende jaren zou gaan doen. Ik voelde dat er behoefte was in de klassieke wereld aan iets nieuws. Op dit moment komen we met oude muziek misschien ook op dit punt. Het wordt te repetitief en het is echt moeilijk om echt iets nieuws te vinden en je plaats in de wereld te vinden. In de klassieke muziek was dat punt al veertien jaar geleden. Zelfs het aantal orkesten is aan het verminderen.”

Speel je, als dirty pleasure, nog wel eens Bach, Lauro, Barrios, Tárrega of Villa Lobos op de gitaar?
“Nee, het is een onderdeel van mij en van mijn opvoeding en een enorm genoegen om dat gedaan te hebben. Als musicus hebt je ook interessegebieden. Wat belangrijk voor je is als je vijftien jaar bent betekent niet automatisch dat die interesse er ook is als je vijfendertig bent. Het blijft wel onderdeel van je DNA, ook al pak je het niet opnieuw op. Het was intens voor mij, maar toen ontdekte ik iets anders en dat werd mijn passie.”

Heeft L’Arpeggiata een vaste bezetting?
“We werken met een structuur met veel freelance in- en uitgaande musici. Dat is de beauty en maakt dat musici op heel veel plaatsen en in veel ensembles kunnen spelen. Anderzijds maakt het mijn taak zeer gecompliceerd. Het moet allemaal georganiseerd worden en dat is het grootste deel van mijn werk. Onderhandelen met de podia-eigenaars en vervolgens onderhandelen met de musici. Alle musici die betrokken zijn bij  L’Arpeggiata leven in verschillende landen. Voor elk concert moet iedereen reizen en de musici moeten beschikbaar zijn. Meestal zijn er een stuk of vier niet vrij.”

Word je steeds uitgenodigd of moet je ook zelf op zoek naar optredens?
“Dat gaat samen. Je wordt vaak uitgenodigd, maar dat valt niet zomaar uit de lucht. Je moet ervoor zorgen dat de betrokkenen aan je blijven denken, dat je wordt uitgenodigd, dat er genoeg budgetten zijn. Managen is een groot deel van het werk en eigenlijk heb je vijf jobs tegelijk.

Fotografie: Michal Nowak

Reacties (0)